Geweldloze communicatie

13 april 2016

Door: Geeske Lanting

Woorden. Eigenlijk ben ik er helemaal niet zo handig mee. Misschien zit ik daarom graag in mijn up achter de pc mijn verhalen in elkaar te knutselen. Heb ik rustig de tijd om nog eens aan de archivaris van mijn woordenschat te vragen of er toch niet nóg een beter woord is. En als het antwoord ja is, dan frunnik ik net zo lang totdat u denkt, lekker stukkie, leest als een trein! Of u legt het gapend van verveling weg. Niemand die het ziet, niet mijn gefrunnik, niet uw verveling. Allebei safe. Zouden we tegenover elkaar zitten dan wordt dit een ander verhaal. Ik weet niet hoe het met u zit, maar face to face val ik vaak door de mand. Geen tijd voor de archivaris. En het moet tegenwoordig meteen lekker vlot klinken en het liefst nog een beetje inhoud hebben ook. Lukt mij niet altijd. Het gekke is dat ik dat vaak als eerste zie aan het non-verbale van die ander. Een wenkbrauw die omhoog schiet, zo’n blik, het  ovenlichaam dat iets wijkt. Soms zie ik niets en voel ik dat ik ernaast zit. Dat zijn de ergste. Maar soms, heel soms heb ik ze te pakken: de goede woorden, de timing, de inhoud, het gevoel. Wat een fijn moment is dat! Contact!

‘…heel soms heb ik ze te pakken: de goede woorden,
de timing, de inhoud…’

Al een paar keer zweefde op een redactievergadering de term geweldloze communicatie voorbij. Dat is dan zo’n begrip waarbij ik moet oppassen dat het niet ongelezen in de archieflade ‘Esoterische Zaken’ terecht komt. Een stemmetje in mij riep ook onmiddellijk: ‘Weer zo’n methodetje’, en een ander tetterde er schel overheen: ‘Ha, al die therapeuten die verrekken om hun eigen schaduwkant onder de loep te nemen, zijn per definitie gewelddadig!’ Ja, ja, dit gastje weet van wanten.

Toen viel er een uitnodiging in het postvak. We zouden met alle schrijvers een dag gaan oefenen met geweldloze communicatie; zouden we beter van gaan schrijven. Er barstte een kakofonie van stemmetjes los. Gelukkig ken ik ze al wat langer dan vandaag en ga ik gewoon mijn eigen gang. Op naar de schrijversdag dus, naar al die andere woordzoekers, -vinders en-plakkers.

De dag vulde zich met korte oefeningen en langzaam ontrafelde zich een patroon. We nemen waar (en mengen dat met oordelen en vooroordelen, maar da’s niet zo handig), we voelen (idem, maar da’s ook hier niet zo handig). We hebben behoeftes die vervuld zijn (fijn!) of onvervuld (niet fijn). En we hebben een verzoek (dat heeft natuurlijk weer met die behoeftes te maken). Zo ontleedden we onze communicatie. Jeetje, denkt u nu misschien wel, ja wat denkt u eigenlijk? Misschien heeft u ook wel zo’n stemmetje! Niet erg hoor, ze worden ‘jakhalzen’ genoemd. Iedereen heeft wel een roedeltje rondlopen in zijn hoofd. Het gekke bij mij was dat naarmate de dag verstreek ze stiller werden, minder gewelddadig. Ik begreep ook beter waarom ze zo tekeergaan: vaak uit angst of onwetendheid. 

‘…ze worden ‘jakhalzen’ genoemd.’

Ook bij mijn medewoordzoekers leek iets te veranderen, zachter, opener, stromender. Hier en daar een hartsverbindinkje. Pareltjes van kwetsbaar, respectvol samenzijn. We concludeerden dat deze methode geen sausje is dat we even achteraf over ons artikel kunnen gieten, maar dat het ons als interviewer, als therapeut en als mens een weg wijst om met mededogen en zonder zelfverloochening met elkaar te communiceren. Voorbij de techniekjes en oefeningetjes heeft het een enorm verbindende kracht. En… maar wacht, even stoppen met typen nu, hoor ik nu iets? Of toch niet? Geen snierend stemmetje dat me toesnauwt: ‘Hé, wat zit jij nou weer voor softs te schrijven?’ Zowaar, het is stil in mij, vredig stil. 

Meer informatie: www.feetback.eu