De natuur is allesomvattend

12 december 2017

Door: Karlien Bongers

Kortgeleden besloten we ons hip en trendy appartement in de stad te verruilen voor een klein stulpje op het platteland. In de tuin groeide een enorme bamboestruik. De vorige eigenaar was vast onder de indruk van zijn schoonheid, maar had geen rekening gehouden met zijn levenskracht. De ene buurvrouw wilde hem graag kwijt omdat hij zich niet houdt aan kadastrale grenzen en de andere buurvrouw omdat volgens haar een exotische plant niet thuishoort in de kleigrond. Omdat wijzelf zonlicht in de tuin misten begon het grote snoeiwerk.

Natuur is goed voor ons. Zowel voor ons lichamelijk als ons psychisch functioneren. Wetenschappelijk onderzoek heeft bijvoorbeeld laten zien dat contact met de natuur de slaap verbetert, er sneller herstel optreedt na ziekte of cognitieve belasting en we minder stress en angst ervaren. Onze vitaliteit, zelfdiscipline en veerkracht nemen toe, agressie vermindert en we ervaren een groter gevoel van verbondenheid en inspiratie. In mijn column ‘Natuur’ van editie 6/16 van ons vakblad beschreef ik dat biodiversiteit en water hierbij een belangrijke rol spelen.
Tegenwoordig zien we een toenemende herwaardering van ‘de natuur’. We creëren groen in steden, eten meer groente en fruit en kiezen steeds vaker voor organisch voedsel en natuurlijke geneeswijzen, waarbij welgestelden vanwege hun financiële mogelijkheden logischerwijs voorlopers zijn.

Sinds het begin van de twintigste eeuw zetten Staatbosbeheer en Natuurmonumenten zich in voor ‘bescherming, versterking en duurzaam benutten van de natuur’ in ons land. Het kader hierbij is de Wet Natuurbescherming, waarbij gebruik wordt gemaakt van zogenaamde Rode lijsten. Op de Rode lijst voor planten staan 530 soorten die met uitsterven worden bedreigd. Dat is 37 procent van de 1432 wilde plantensoorten die in ons land voorkomen. Een van de bedreigde soorten is het plantje Brave Hendrik, vernoemd naar koning Hendrik IV van Frankrijk, die rond 1600 tuinen met eetbare planten inrichtte en daarmee een trendsetter was. Door de import van exotische kruiden en gewassen uit de nieuw ontdekte werelddelen werd het nuttigen hiervan een teken van welgesteldheid. Zo kwam de aardappel vanuit Zuid-Amerika rond 1565 als botanische curiositeit in de Spaanse hoftuin van koning Filips II en via de botanische tuinen van de kloosterorden uiteindelijk in Noord-Europa terecht. De toenmalige wetenschappers prezen deze groente vanwege de voedzaamheid en het groeigemak. De bevolking echter was aanvankelijk weinig enthousiast vanwege het uiterlijk, de afwezigheid van geur en smaak en het feit dat de bladeren en bessen giftig zijn. Aardappels dienden dan ook tot in de 18e eeuw als varkensvoer en gevangeniseten. Pas halverwege de 18e eeuw werd de aardappel na verscheidene mislukte graanoogsten volksvoedsel.

Meer informatie: www.karlienbongers.nl

Lees het gehele artikel vanaf pagina 64 in VNIG 1/18.

Wilt u het hele artikel als PDF ontvangen? Bestel het dan hier voor € 3,50