Nieuw leven

26 augustus 2019

Door Karlien Bongers

Vanaf mijn achtste had ik hem gedroomd en op mijn 52-ste hield ik mijn zoon in mijn handen. Voorzichtig legde ik hem op de buik van zijn moeder. De navelstreng klopte nog. Nu, na drie keer met m’n ogen knipperen, rijdt hij behendig op zijn traptractor door de tuin. Met zijn schep verplaatst hij het zand van het nog aan te leggen looppad. Nog even en hij is vier, de leeftijd waarop kinderen gewoonlijk in Nederland naar school gaan.

Het idee bestaat dat voor de invoering van de Leerplichtwet in 1900 het ‘gewone volk’ in ons land niet kon lezen of schrijven. Historisch onderzoek laat echter zien dat in de late Middeleeuwen ook ‘gewone’ mannen en vrouwen de Bijbel in hun eigen taal lazen. Tijdens de industriële revolutie besefte men dat mensen die konden lezen en schrijven beter inzetbaar waren. Daarmee ontstond een breed draagvlak voor de invoering van de eerste Leerplichtwet.

Sinds de aangepaste Leerplichtwet van 1969 moeten alle kinderen vanaf vijf jaar naar school en is er een leerplichtambtenaar die dat controleert. Hetzelfde klassikale onderwijs voor iedereen. Een groot goed in het kader van maatschappelijke kansen voor iedereen. Er zijn echter ook kanttekeningen te plaatsen bij de wijze waarop ons onderwijs is ingericht. Onderwijskundigen weten bijvoorbeeld dat een-op-eeninstructie de effectiefste onderwijsvorm is. Kinderen die thuis onderwijs krijgen, blijken op cognitief vlak een voorsprong te hebben op hun leeftijdsgenoten.1 Ouders die flexibel reageren op de behoeften en belangstelling van hun kinderen zijn prima leraren.

Op school zijn niet de interesses van het individuele kind, maar de lesplannen en leermethodieken bepalend voor de aan te bieden lesstof. Hierdoor bestaat het risico dat kinderen (een deel) van hun eigen nieuwsgierigheid en creatief oplossend vermogen kwijtraken. Niet hun intrinsieke behoefte om iets te onderzoeken stuurt het leren, maar een externe beloning/terechtwijzing.

Ook in sociaal opzicht kunnen kanttekeningen worden geplaatst. Zo zijn schoolklassen gescheiden naar leeftijd, waardoor een voor het kind sociaal beperkte leeromgeving ontstaat. We weten ook dat ruim tien procent van de 1,5 miljoen basisschoolkinderen gepest wordt op school, waarvan ruim drie procent wekelijks. De fysieke leeromgeving, het klaslokaal, is geen natuurlijke omgeving, terwijl we weten dat kinderen die zich verbonden voelen met de natuur minder moeite hebben om zich aan te passen aan allerlei (school)regels. Dit aanpassingsvermogen blijkt een belangrijke voorspeller voor academisch en sociaal succes in het latere leven.2

In Amerika bestaat dan ook een trend om de kinderen thuis met een leerplan (home-scholing) of op basis van de interesses van het kind (un-scholing) les te geven. Ouders die hun kind niet naar school sturen zijn in Nederland anno 2019 strafbaar. In uitzonderlijke gevallen kun je vrijstelling aanvragen. Slechts 900 kinderen vallen onder deze regeling en krijgen thuis onderwijs.

Wij zijn er (nog) niet aan toe om een gerechtelijke procedure te riskeren. Dus na de zomer gaan we hem vijf dorpen verderop naar een zogenaamde natuurschool brengen. In tegenstelling tot andere scholen die we bezochten, voelde deze voor ons alle drie ‘goed’. Hier zitten de verschillende leeftijdsgroepen samen in kleine klasjes en spelen en leren ze veel buiten.
En wie zich zorgen maakt over een eventueel sociaal isolement van ons kind: we hebben in ons eigen dorp een voetbalclub waar een bevriende pappa de kleine pupillen begeleidt. Laat dat nou precies passen bij de interesse van ons kind!

Meer informatie: www.karlienbongers.nl

Bronvermelding:

  1. Blok H, Karsten S. Vervangend onderwijs aan kinderen van ouders met een richtingbezwaar. SCO-Kohnstamm Instituut van de Faculteit der Maatschappij- en Gedragswetenschappen, Universiteit van Amsterdam. (SCO-rapport nr 280, projectnummer 40324). 2008
  2. Musitu-Ferrer D, Esteban-Ibáñez M, León-Moreno C, García OF. Is school adjustment related to environmental empathy and connectedness to nature? Psychosocial Intervention. 2019; 28(2):101-110