Woordeloos spreken

22 oktober 2013

Door: Elly Verblaauw

Zo’n maand of drie geleden zag ik een filmpje van Glenn Beck. Glenn is radio- en tv-presentator in de Verenigde Staten en vooral actief als politiek commentator. Het filmpje is gemaakt omdat Glenn door een verlamming aan zijn stembanden zijn stem tijdelijk is kwijtgeraakt. Glenn heeft een verhaal te vertellen en dat doet hij door rustig op zijn gemak een reeks teksten te laten zien die hij met stift op papier heeft gezet.

Hij vertelt een indringend en ontroerend verhaal. Hij kan niet spreken maar hij heeft veel te zeggen. De schatting van Glenn is dat hij sinds 1979, toen hij journalist werd, zo’n 89 miljoen woorden heeft gesproken. Hoeveel van de woorden die ik sprak, waren van waarde? Hoeveel van deze woorden hebben een verschil gemaakt? Hebben geïnspireerd? Waren weldoordacht? Gaven aandacht? Waar waren de woorden die ik sprak in de kern voor bedoeld? Hoeveel waren er voor mijn eigen goede gevoel? Hoeveel van deze woorden zou ik terugnemen? Het wordt duidelijk welke woorden Glenn zal spreken als hij weer spreken kan (wat inmiddels het geval is). Woorden van waarde, verbindende en liefdevolle woorden.

‘Ik heb er jonge vrienden
bijgekregen…’

Ik vind het een prachtig filmpje. Het blijft me bij. Het maakt dat ik me steeds vaker bij het spreken afvraag met welke woorden ik dat wil doen. En dat niet alleen. Ook mijn gedachten en mijn manier van kijken krijgen deze vraag met regelmaat voorgeschoteld. Het is meer dan de moeite waard om er dagelijks, al is het maar voor even, bij stil te staan.

Zo beland ik op een middag, met de fiets in de hand, niets vermoedend bijna in het voetbalgebied dat enkele jongetjes uit de buurt tussen de huizen in voor zichzelf hebben gecreëerd. Er niets leuker dan daar voetballen waar het niet mag. Behalve hun eigen ballen hebben deze jongens al menig scheldwoord naar hun hoofd geslingerd gekregen. Zoals te verwachten valt, heeft dat nog niet opgeleverd dat ze elders met hun kunsten aan de slag gaan. Oh nee, de te smalle ruimte tussen de huizen blijft hun favoriete plek. Er gaan een paar seconden voorbij om in mijzelf te bepalen wat het beste is om te doen. En ik spreek de woorden: ‘Heren, excuses, graag wil ik met mijn fiets door jullie heilige voetbalveld. Ik vraag jullie hierbij toestemming om dit te doen.’ Hun monden vallen open en ze kijken mij stomverbaasd aan. Als klein elftal wijken ze naar achteren, stellen ze de bal veilig en zeggen ze bijna in koor ‘natuurlijk mevrouw’. Terwijl ik rustig met een vleugje zelfingenomenheid door hun veld loop, voel ik vragende en priemende ogen in mijn rug en het duurt even voordat het spel wordt hervat. Sinds dat moment is er veel veranderd. Ik heb er jonge vrienden bijgekregen die me gedag zeggen en die aandacht voor me hebben.

‘Hoeveel van de woorden die ik sprak,
waren van waarde?’

Ik denk een belangrijk recept gevonden te hebben tot het volgende moment zich aandient. Ik ga op bezoek bij een dierbare vriend. Hij heeft botkanker, verspreid over zijn lichaam. Terwijl ik me niet op deze ontmoeting had voorbereid in de zin van er vooraf goed voor gaan zitten, had ik wel verscheidene teksten in mijn gedachten. Teksten die in één klap verdwijnen in de minuten waarin ik oog in oog sta met mijn zieke vriend. De zeggingskracht van deze woorden is nu nul komma nul. Ze doen er niet toe. Ik word een andere gemoedstoestand gewaar in mijzelf. Er komt een stille aandacht zonder woorden waarin veel wordt gezegd. Waarachtige woorden. Ik moet eraan wennen, maar in de verstrijkende tijd in de nabijheid van mijn vriend, ervaar ik ze als balsem voor mijn eigen ziel.

Zulke woorden doen ertoe.