Medische Intuïtie ondersteunt patiënten en artsen

25 Jan, 2021

Medische Intuïtie (MI, Medical Intuition) maakt gebruik van het menselijke intuïtieve gevoel om informatie over het fysieke lichaam en de energiesystemen van patiënten te verzamelen. Mensen die getraind zijn in MI benutten hiervoor visualisatievaardigheden en intuïtieve scantechnieken. MI heeft tot doel om artsen te ondersteunen en is uitdrukkelijk niet bedoeld om diagnoses van kwalen of ziekten vast te stellen.

In een verkennende studie werd de subjectieve accuraatheid en de acceptatiegraad van medisch intuïtieven onderzocht. Aan de studie namen 67 volwassen mannen en vrouwen deel. De procedure voor elke medische intuïtie-sessie was gestandaardiseerd en bestond uit een sessie van 30 tot 60 minuten via telefoon of video. De MI-professionals waren geïnstrueerd niet met de deelnemers te praten, behalve om ze te vertellen wat zij ‘zagen’ gedurende het scanproces. Na elke sessie vulden de deelnemers een anonieme online vragenlijst in, die hun beoordeling van de sessie documenteerde; 86 procent van de deelnemers vulde deze lijsten in.

Uit de antwoorden van de deelnemers kwam naar voren dat de MI-professionals in 94 procent van de gevallen in staat waren gebleken om de voornaamste fysieke klacht te lokaliseren en te evalueren. Bovendien waren zij foutloos in het vaststellen van secundaire fysieke klachten. Verder waren ze in 98 procent van de gevallen correct in beschrijven van levensgebeurtenissen en in 93 procent van de gevallen accuraat in beschrijven van een connectie tussen levensgebeurtenissen en gezondheidsproblemen.

Conclusie van het onderzoek is dat medisch intuïtieve professionals goed in staat zijn om primaire en secundaire gezondheidskwesties bij patiënten vast te stellen. Bovendien ervoeren patiënten de sessies met de MI-professionals als positief.

Bronvermelding:
Colter, W. et al. Assessing the Accuracy of Medical Intuition: A Subjective and Exploratory Study. Journal Of Alternative And Complementary Medicine, Volume 26, Number 12, 2020, pp. 1130–1135.