Boerenwijsheid

18 augustus 2016

Door: Geeske Lanting

‘Nou,’ zegt de hoofdredactrice tegen mij, kersvers aangeschoven bij deze redactie: ‘Ga je lekker een stukje schrijven over je hond en jouw spirituele ontwikkeling.’ Er gaat dan geen enkel lampje branden. Maar als ik er later over nadenk, flitst het door me heen: ´Zal je zien, is de rode draad dieren en gaat Jip dood! Nu zit dat er al wel een tijdje aan te komen. Mijn hond – een echte stratière zoals de Vlamingen dat zo elegant zeggen – en ik zijn al bijna twintig jaar samen. We zaten al eens ’s nachts op de dierenpolikliniek waar binnen twee uur een hond, een poes en een vogeltje doodgingen en ik hun bazen zag treuren. Ik ben dus al een tijdje bezig met het ontwikkelen van mijn eigen wat-doe-ik-als-het-zover-is-ethiek.

‘Onnodig lijden doen we niet aan,
onnodig oplappen ook niet.’

Onnodig lijden doen we niet aan, onnodig oplappen ook niet. Moet het echt met een spuitje daar op die kille stalen tafel, ok, maar dan wel weer mee naar huis. Kan het hier thuis, dan doen we dat. Staat ze ’s ochtends niet meer op uit haar mand, dat zou het fijnste zijn, voor allebei. Maar waar haar ongezien te begraven als je zonder tuin, midden in Amsterdam woont? Dat is nog een kwestie. Het ‘we’ is ook een beetje een illusie, want zoals ik met mijn dierbaren gelukkig over het sterven heb kunnen praten, is iedere instemmende of afkeurende blik van die mooie bruine ogen slechts mijn interpretatie. De grote vraag is natuurlijk wanneer is het genoeg? En ook dat ligt anders dan bij mensen. Mijn moeder kon en wilde ik geen spuitje geven. Bij mijn hond wil ik het ook niet maar kan ik daartoe – zo nodig – wel beslissen.

‘De grote vraag is natuurlijk wanneer is
het genoeg?’

Nu heeft de dood wel mijn interesse, het is per slot van rekening magie van de bovenste plank. Mijn familie op het platteland maakte er nooit veel woorden aan vuil. ‘Er is er nog nooit iene van werum komm’n’, zeiden ze dan. De andere helft, de stadsen, hielden ook hun mond. Ik vond dat er toch meer over te zeggen moest zijn en ging op zoek. En ik zocht ‘t ver. Bij de boeddhisten, de taoïsten, de sjamanen en vooruit, ook de Tolteken. Ik leerde over bardo’s en de interne alchemistische stervensprocessen. Over de Mictlan, het dodenrijk. Over de spirit van de dood die helemaal nog niet zo’n kwaaie is en als je beste vriend altijd op je zal wachten. Enzovoort. Én dat bewust sterven wel iets nastrevenswaardigs is. Een slimme meid is dus ook op haar dood voorbereid.

Van mijn dierbaren die stierven leerde ik over het laatste stukje van ons pad, de enorme verantwoordelijkheid als ze afhankelijk van je worden. De pijn van het afscheid vermengd met het laatste grapje, het versterven en het wonderlijke van het heengaan, waar dan ook naartoe.
Ach ja, herinneringen, kennis. Maar als de dood er dan weer aankomt al is het ‘maar’ van mijn hondje, dan wacht ik toch weer schoorvoetend af. ‘Is dat oale hondien nou nog nie dood?’ drukt mijn tante, boerin en nota bene zelf 86, me door de telefoon met de neus op de feiten. Ik verstijf even, maar weet dat ze het niet kwaad bedoelt. Het was samen met haar dat ik de dood van een dier voor het eerst van dichtbij meemaakte. Als klein meisje in de stal met het stro; het dampende, slijmerige kalfje dat op moest staan maar dat maar niet deed. Dat gevoel dan. En ik zie nog de zachte, troostende klopjes van mijn tante’s ruwe werkhand op de flank van de koe. Boerenwijsheid, peins ik terwijl ik naar Jip kijk, ook daar zit wat in.

Meer informatie: www.praktijkaza.nl