Vervreemding

20 februari 2019

Door: Karlien Bongers

Er zijn mensen die niet graag met de auto in Amsterdam komen. Niet vanwege het parkeren maar juist omdat de ringwegen voor hen onduidelijk en onveilig zijn. Ik heb dat niet. Voor mij is Amsterdam bekend, hoewel ik wellicht niet altijd de snelste of de kortste route kies.

Ik heb het wel bij Rotterdam. Een paar weken geleden hadden lief en ik een afspraak in een ziekenhuis in deze stad. Vanwege het tijdstip van de dag en de daarbij passende verkeersdrukte gaan we vroeg op pad. Op de gele borden langs de weg zien we dat de Maastunnel die dag is afgesloten. De boodschap negeren we: geen idee hoe deze tunnel zich verhoudt tot onze eindbestemming. Hij blijkt cruciaal. Gelukkig voert de stem van de juffrouw in het dashboard van de auto ons door het centrum via een bekende brug naar de andere kant van de stad. De tijd begint wat krap te worden. Dan zien we de naam van het ziekenhuis op het dak van een parkeergarage, maar waar is de ingang? Een modderig veldje met slagboom brengt uitkomst. We zien nergens een groot gebouw wat aan een ziekenhuis doet denken. Als we een pijl met de tekst ‘Hoofdingang’ zien, lopen we in de buitenlucht die richting op via een winkelstraat in een nieuwbouwwijk. Er is niemand op straat. De winkels zijn open maar leeg. Het begint te motregenen. Een vrouw laat haar hond uit. We herkennen niets dat aan een ziekenhuis doet denken, terwijl we in ons leven toch heel wat uren in ziekenhuizen hebben doorgebracht. De bomen lijken van plastic net als de groene aanplant naast de gezellige bankjes die leeg zijn. We horen niets, geen vogels, geen achtergrondmuziekje. Plots zien we opnieuw die pijl en staan we via een automatische schuifdeur in een grote hal. We horen stemmen en zien een zijden gele sjaal. Naast me is liefs gezicht steeds witter geworden. Abrupt sta ik stil en sla m’n armen om haar heen. ‘Even stop – adem in – adem uit – voel hoe je adem naar je buik en je voeten gaat – het komt goed – het is veilig’ zeg ik zachtjes in haar oor.

Een paar dagen geleden speelde ik draakje met onze zoon van drieënhalf. De draak heeft drie koppen, mijn hoofd en mijn twee handen. De middelste drakenkop trekt enge bekken en de twee kleinere koppen maken slangachtige bewegingen en happen naar hem. Met zijn toverzwaard schiet hij op de koppen die sissen en grommen. Hij schatert het uit.
Dan doet lief ook mee. Twee draken en wel zes koppen. Even is het leuk. Dan staat hij plots stokstijf stil. Zijn onderlip begint te trillen. ‘Och schat’ zeg ik en val daarmee volledig uit mijn rol. Ik open mijn armen. ‘Even stop – tover snel de draken terug in je mamma’s – het komt goed – het is veilig’. Hij neemt een sprint en springt als een babykangoeroe tegen mijn buik terwijl hij een diepe zucht slaakt.

Natuurlijk hoop ik dat mijn tijd nooit komt en doe ik er alles aan om het te voorkomen.
En mocht die dag toch komen, dan hoop ik dat er iemand zal zijn die zijn of haar armen voor me opent en zegt ‘het komt goed, het is veilig’.

Meer informatie:
www.karlienbongers.nl